De verhalende
beeldhouwwerken vervielen eveneens in het hoogdravende en het pathetische: er
ontstonden talloze Jeanne d'Arcs in alle stadia van overwinning en gevaar, en
de Franse nederlaag in de Frans-Duitse oorlog van 1870 leidde tot een
gedenkteken door Antonia Merci, dat in de grensstad Belfort werd opgericht, en
waarop `een moeder uit de Elzas het geweer grijpt dat uit de hand van haar
gewonde zoon valt, en weerstand biedt aan de vijand.' Barre was een serieuze
en doelbewuste man. Rodin volgde als jonge student zijn lessen en bewonderde
zijn studies naar de natuur. Maar de meeste andere populaire beeldhouwers uit
die tijd droegen het vernietigend etiket dat hen door de vlijmscherpe
Bandelier was opgeplakt: ze waren pompiers, `brandweerlieden' zonder
overtuigingen, wier enige doel was om van mensen zonder smaak, maar bulkend
van het geld, de smaak nog verder te bederven. Een van de geslaagdere
pompiers van die tijd was Albert-Ernest Carrier-Belleuse, een innemende,
vlotte en knappe man die een ware fabriek voor beeldhouwwerk en decoraties
leidde. Met behulp van ruim twintig assistenten vervaardigde hij een lange
reeks bustes, beeldjes, figuurtjes, kandelabers en snuisterijen in populaire
stijl. Hij stak duidelijk uit boven de overige pompiers, maar zou nu
waarschijnlijk ook vergeten zijn ware het niet dat Rodin 'jarenlang
één van zijn assistenten was geweest.
Er waren enkele - zeer
weinige - superieure mannen die eigen wegen in durfden te slaan. Honoreer
Daumier, de cynische criticus van menselijke dwaasheid en onrechtvaardigheid,
maakte naast zijn prenten en schilderijen ook een serie meedogenloze
voorstellingen in klei: een opgeblazen redenaar, een tandeloos oud wrak, en
een donquichotteachtige groteske veteraan, Rantapoil. Hier begon het
opkomend realisme zich te uiten, met een neiging tot het karikaturale en het
sociaal protest. Een beeldhouwer, die Rodin in zijn jonge jaren kende en
bewonderde was Jean-Baptiste Carpeaux, een man met fantasie, wiens zwierige
stijl volkomen verschilde van die van Daumier. Hij was de
lievelingsbeeldhouwer van Napoleon III en zijn schitterende hof, maar
desondanks een ontwerper met grote gloed en frisheid, zoals dat onder meer
tot uitdrukking komt in zijn levendige bachanaal La danse, dat hij
ontwierp voor de gevel van de Parijse Opera.
Wanneer een beeldhouwer
met Rodins geestelijke instelling echter rond zich keek en een vergelijking
trok met diegenen die reeds lang geleden verdwenen waren - een Bernini, een
Michelangelo, een Donatello, de beeldhouwers van Griekenland en de naamloze
steenhakkers van de Franse kathedralen, dan scheen het met de erfenis van
Frankrijk op dit gebied droevig gesteld te zijn. Hij zag derhalve dat zijn
kansen niet lagen in het duidelijk breken met de traditie - waarvan in elk
geval nog maar zo weinig over was - maar in een poging de beeldhouwkunst weer
tot leven te wekken en haar beste eigenschappen weer op te nemen. In dit
opzicht was hij een van de meest conservatieve radicalen. Of zoals Anthony
Ludovici, één van zijn talloze secretarissen, een paar opmerkingen van Rodin
weergaf: `Hij maakte er nooit aanspraak op dat hij iets nieuws gebracht had,
maar dat hij iets herontdekt had dat de academici reeds lang hadden verloren.
De Grieken hadden het bezeten, en eveneens de gotische beeldhouwers. Maar in
de officiële kunst van die dagen ontbrak het volkomen. Zijn bijdrage... was
derhalve een daad van herstel.'
Dit was geenszins de
gehele waarheid. Rodin keek niet alleen naar het verleden, maar was ook
avontuurlijk, en experimenteerde met het expressionisme en zelfs met het
abstracte. Maar er zou een tijd komen dat hij veroordeeld werd als een
`eclecticus', een verzamelaar van oude fossielen, toen namelijk de premisses
zelf waarop zijn werk gebouwd was, werden aangevallen en verworpen. De grote
revolutie die zich aan het eind der negentiende eeuw voltrok was gebouwd op
het idee dat een kunstwerk niet noodzakelijkerwijs behoefde - ja zelfs, dat
het niet móest proberen een zichtbaar voorwerp of gebeurtenis voor te stellen,
of er enige `zin' uit af te leiden. Een kunstwerk moest een onafhankelijke
schepping zijn, alleen onderworpen aan zijn eigen vormwetten, zonder te
verwijzen naar iets buiten zichzelf.
En zo raakten Rodins
retoriek, zijn emoties, zijn gebarentaal, zijn symboliek en zijn verwantschap
met de litteratuur na verloop van tijd uit de mode. Maar tijdens zijn leven
was hij de belichaming van de verandering. Een kunstenaar beschreef zijn eigen
leertijd aan het eind van de jaren zeventig aldus: `We waren, bedenk dat wel,
in die tijd allen op de ECOLO, en verplicht de oude stijl die daar werd
onderwezen na te volgen. Maar Rodin maakte zo'n sterke indruk op ons, dat we
allen opnieuw begonnen, en besloten op zoek te gaan naar alles wat goed was,
ongeacht waar het vandaan kwam of wie het gemaakt had. Het zien van Rodin gaf
ons nieuw leven.'
Dit leven is wederom
opgewekt in onze dagen, nu het probleem van het menselijke bestaan weer een
wezenlijk probleem voor de kunstenaar is geworden. En op dat punt krijgt Rodin
zijn plaats, als het eindpunt der klassieken en als een nieuw begin. Zoals een
bewonderaar opmerkte, zou hij de Mozes van de moderne beeldhouwkunst worden,
die deze kunst weliswaar uit de woestijn zou leiden, maar die zelf het
beloofde land niet mocht betreden.