Bovendien dwarsboomde de
staatsmachinerie, die de kunst `bestuurde', natuurlijk originele geesten.
Naast het ministerie voor schone kunsten, dat alle ontwerpen voor openbare
gebouwen en standbeelden moest goedkeuren, stond het aloude Instituut de
France, dat in feite de officiële waakhond van de Franse cultuur was. Eén van
zijn afdelingen was de Academie des Beaux-Arts, die op zijn beurt de École des
Beaux-Arts onder zich had: de Academie voor beeldende kunsten, ofwel de
`Grande ECOLO' in de ogen van leerlingen en aspirantleerlingen. Deze school
was min of meer een verplichte etappe op de weg naar artistieke erkenning,
vooral als men het recht verkreeg in de quasi-oflïciële jaarlijkse salons te
exposeren. Deze `bazaars' (zoals de schilder Jean-Auguste-Dominique ze noemde)
werden voorgezeten door juryleden die zelf bijna altijd de school doorlopen
hadden en leden van de Academie waren, en hun weigering van een aangeboden
werk kon een financiële ramp voor de kunstenaar betekenen.In Rodins tijd was
de combinatie Academie-Salon reeds lang verstard, evenals het grootste deel
der beeldhouwwerken die door de Academieleden werden voortgebracht. Rond liet
midden van de jaren zestig veroordeelde Zola - die niet minder bezorgd was
over de situatie van de kunst als Baudelair –de salon-juryleden als `bange
middelmatigen' met `gestolen reputaties', en een kliek van koks' die alleen
maar een onsmakelijke 'ragout' opdienden. Rodin zelf was in zijn jeugd niet
toegelaten tot de Grande ECOLO, maar hij was nooit zo wraakzuchtig dat hij
liet idee van een officiële Academie aanviel. Albert Essen heeft aangetoond,
deelde Rodin juist veel van de ideeën van de Academie. Hij had een onwrikbaar
geloof in discipline en in het trainen van beeldhouwers en schilders om kunst
te produceren die zou verheffen en het verleden van de natie zou
verheerlijken. Rodin ergerde zich echter wanneer hij zag wat op de Academie
werd gemaakt. Het was zo conventioneel zei hij dat het `de waarheid nooit
recht in het gelaat kon kijken'.
Iets minder dan een eeuw
tevoren was de levendigste beeldhouwer in Frank- Jein-Antoine Houden geweest,
wiens meesterwerk een frappant beeld Voltaire op latere leeftijd ) was
- een psychologische krachttoer die al geestkracht en boosaardigheid van de
man tot uitdrukking bracht, een dergelijk scherp portret dat het generaties
lang door niemand werd geëvenaard. Later ging Houdon naar Amerika om twee
beelden van George Washington uit te voeren , het ene knap en statig, gekleed
in zijn Europees legeruniform, het andere in Romeinse keizerlijke toga,
verheven, maar leeg. Deze laatste versie was een voorbeeld van de toen
opkomende mode om de oudheid te imiteren, die de beeldhouwkunst tot in Rodins
tijd zou blijven beheersen.
Deze modieuze
neo-klassieke stijl bevorderde een nostalgie naar het verre verleden en
bracht onder meer de Italiaan Antonio Canada er toe Napoleon, een korte en
gedrongen man, uit te beelden als een kolossale naakte Caesar. De zuster van
de keizer, de aardse Pauline, kreeg de gestalte van een Olympische venus. De
stijl was academisch en beschaafd. Een beroemd beoefenaar van de neo-klassieke
stijl was de Deense beeldhouwer Beitel Thorvaldsen. In 1816 Itaureerde
Thorvaldsen een groep antieke marmeren beelden die in de ruïnes liet Griekse
eiland Angina waren ontdekt, maar knoeide er zo aan dat er tenslotte bleke,
seksloze vormen overbleven. Hedentendage zou men dit als een idealistische
daad beschouwen, maar in die tijd werd het nieuwe uiterlijk dat de beelden
kregen de grote mode.
Er was geen instituut dat
de neo-klassieke formules zo gretig opnam als de Franse Academie. Elk volgend
decennium werden zijn voorschriften strakker. Er was een grande figure
stijl, met een repertorium van correcte `klassieke' jaren om onderwerpen als
Burgerdeugd, Heldenmoed, Geloof, Wetenschap, orde, Vlijt die de Arbeid
beschermt, uit te beelden. Daarnaast was er de voorgeschreven retoriek van de
belles pensees, van verheffende, positieve gedachten. De figuur zelf
moest altijd vriendelijk, onbeweeglijk en zuiver zijn. (`Maar de Grieken,'
barstte Rodin eens uit. `waren niet zo!')
Beneden het niveau van
het voorgeschreven grands sujet waren er weliswaar de petst sujet
die enige emoties toestonden. Hieronder bevond zich natuurlijk ook het
Naakt, en men liet geen gelegenheid voorbijgaan dit op zijn voordeligst uit te
laten komen. Veel Salonkunst, of het nu beeldhouwwerken of schilderijen waren,
scheen slechts een uitnodiging te zijn om voorname, culturele zitvlakken te
aanschouwen, zoals die van de vliegende nimfen van Adolphe-William Bouguerau's
Les oreacfes of het zwellende marmeren achterwerk van een knielende
maagd, door Lorenzo Bartolini, dat dan ook nog de titel Vertrouw in God
droeg. Rodin zou zich nooit aan dergelijke smakeloosheden bezondigen. Voor
veel kunstenaars waren elegante pensees echter niet voldoende. Voor hen
was er de romantiek, een artistieke stijl die in het midden der negentiende
eeuw nog een belangrijke plaats innam, met zijn veelzijdige geestdrift voor
vrijheid, voor de natuur, voor ongebonden emoties, voor stormen en spanningen:
voor het grenzeloze, het spontane, het wilde en exotische. In de schilderkunst
vond de romantiek haar grote meester in Eugène Delacroix, wiens onderwerpen
zowel voorstellingen uit de revolutie, als gevechten van Arabische ruiters met
wilde dieren bevatten. In de beeldhouwkunst ging het deze beweging minder
goed, hoewel Delacroix' heroïsche schilderij De Vrijheid die het volk
aanvoert zijn tegenhanger vond in Francis Redes vurige reliëf La
Nlarseillaise , dat ontworpen werd voor de Arc de Triomphe. Daar bevindt
het zich nog steeds, melodramatisch maar toch ook heldhaftig en meeslepend, en
één van de zeer weinige romantische meesterwerken in steen. Beeldhouwers die
zich van het lieflijke en zogenaamd klassieke afwendden, kozen meestal
anekdotische onderwerpen, bij voorkeur vermengt met een tikje
gewelddadigheid.
Onder hen bevond zich een
groep die de naam kreeg van anirnaliers, specialisten in het
vervaardigen van voorstellingen van grote of kleine beesten die in
woeste houdingen konden worden weergegeven - iets wat, volgens de regels der
Salons, met het menselijk lichaam niet mogelijk was. De Salon ruimde een
plaats in voor de Tijger die een krokodil verslindt van Antoine-Louis
Barre en voor de geliefde Gorilla die een maagd aanvalt van Emmanuel
Frémiet.