Auguste Rodin Sculpturen !   Beelden van Rodin.De denker.
 
  Home
klantenservice Winkelwagen
Producten
  De Denker van Auguste Rodin.
  De Denker in Brons !
  Beelden
  Beelden in Brons !
  Vrouw
  Vrouw in Brons !
  Liefde
  Liefde in Brons !
  Handen
  Handen in Brons !
 
Extra
  Rodin's Leven 1
  Rodin's Leven 2
  Rodin's Leven 3
  Rodin's Leven 4
  Rodin's Leven 5
  Rodin's Leven 6
  Rodin's Leven 7
 
  Winkelwagen

 

Rodin's Leven 5
Het leven van Auguste Rodin (1840 -1917)-5

de laatste beeldhouwer in de geschiedenis waarvan werken nog als 'beelden' aangeduid worden, na Rodin spreekt men van `figuren’.

Zijn gevoel voor het monumentale was zo groot dat hij als grootste werk een portaal ontwierp in renaissance ontwierp. dat bekend zou worden onder de naam De poorten van de hel, en dat gebaseerd was op thema's uit de Hel van Dante - een project dat hij nooit voltooide, hoewel hij er ontwierp jaar lang veel tijd aan besteedde en er bijna tweehonderd figuren op aanbracht, waaronder het origineel van de Denker.

De basis van Rodins kunst was de overgave van een vulkanische, gedreven mens die overhoop lag met de regels en conventies van de bourgeois wereld om hem heen. Volgens zijn opvatting moest een kunstenaar, die die naam waardig was het menselijk leven waarheidsgetrouw weergeven - het leven dat soms schitterend, maar meestal verward en tragisch was - en hij moest dit in elk gebaar en in elke spier van zijn werk uit laten komen. Rodin bezat één geloof: het Menselijk lichaam, dat hij eens beschreef als `een tempel die wandelt, een bewegende architectuur'. Elke beweging, elke buiging, zelfs de vluchtigste uitdrukking was een belichaming van het wezen van de mens dat luid riep om gezien en volledig doorvoeld te worden. Bovendien - en dat is het essentiële in Rodins gedachte- en gevoelswereld - was elke vorm op zich zelf een symbool, een voorbeeld, een afschaduwing van wat er binnen in lag. `Lijnen en kleuren zijn alleen...symbolen van verborgen realiteiten' zei hij. `Onze ogen dringen onder het oppervlak door tot de betekenis van de dingen, en als we naderhand de vorm gestalte begiftigen we deze met de innerlijkheid, die ze in zich besloten houdt. Deze opvatting van Rodin was natuurlijk niet nieuw. De gedachte dat de zichtbare dingen een afspiegeling vormen van de onzichtbare, was al terug te voeren tot Plato. In Rodins ogen was een enkel fragment - een arm, been, of Rodins torso zonder armen of benen, of zelfs zonder hoofd - reeds in staat een heel Rodins van gevoelens als verlangen, angst of vervulling bloot te leggen. En al wat waarheidsgetrouw, naar de natuur was, was mooi in de kunst. `In kunst is niets lelijk, behalve het karakterloze, dat wil zeggen, dat wat geen uiterlijke of innerlijke waarheid bevat.'

Rodins besluit om door middel van beeldhouwkunst deze ideeën tot uitdrukking te brengen viel in een tijd dat deze kunst grotendeels verstard was. In zijn jonge jaren was de wereld van een beeldhouwer over het algemeen zeer begrensd en beslist weinig belovend in vergelijking niet de opwindende wereld der schilder­kunst. Terwijl de impressionisten braken met de oude formules maakten de beeldhouwers niet veel meer dan kopieën - hetzij een perfect gecomponeerde imitatie in klassieke stijl, hetzij een verhalende brok sentiment. De dichter en criticus Charles Bandelier, die door Rodin zeer werd bewonderd, voer geregeld uit tegen de beeldhouwers van die tijd, die volgens hem een voorkeur hadden voor afgezaagde salonstukken, en die het aan serieus verantwoordelijk­heidsgevoel en vindingrijkheid ontbrak. De eens zo grootse beeldhouwkunst, schreef Baudelaire, was in de handen gevallen van  kopieerders die `onbekommerd gebruik maken van alle tijdperken en alle stijlen". Deze kunst had zijn verbinding met het menselijk bestaan verloren: `Er is niemand die zijn voelhorens uitsteekt naar de realiteit van morgen, en niettemin worden wij dagelijks omgeven en in het nauw gedreven door de heroïek van het moderne leven.'

Deze gedachten stonden dicht bij die van Rodin, hoewel deze ze slechts zelden op Baudelaires onverbloemde wijze verwoordde. Toen er echter eens door de jury kritiek werd uitgeoefend op zijn eerste ontwerpen voor de Burgers van  Calais, antwoordde hij vinnig: `Ik ben een vijand van de gezwollen en schoolse soort kunst die in Parijs heerst. U wilt dat ik me aansluit bij mensen waarvan ik de conventionele stijl veracht.'

Er waren vele oorzaken aan te wijzen waarom de beeldhouwkunst, in tegen­stelling tot het levendige karakter van de schilderkunst, zo verstard was. In vroegere eeuwen hadden de schilderkunst en beeldhouwkunst als partners en gelijken naast elkaar gestaan, dank zij de opdrachten van de beschermheren van die tijden - pausen, koningen en hovelingen. Het verdwijnen van het adellijk maecenaat had vooral voor de beeldhouwer nadelige gevolgen. Een schilder ondervond geen bijzondere moeilijkheden als hij op zichzelf werd teruggeworpen: alles wat hij nodig had, was tenslotte doek, verf en kwasten, en mettertijd wist hij volledig profijt te trekken van zijn onafhankelijkheid. Voor een beeldhouwer, die afhankelijk was van kostbaarder materialen als brons en marmer, was het moeilijker zich aan te passen. Er waren natuurlijk onder de nieuwe rijken ook opdrachtgevers voor beeldhouwwerken, maar over het algemeen - en dat was doorslaggevend - misten ze het zelfvertrouwen van hun adellijke voorgangers. Ze hadden een weinig avontuurlijke smaak en gaven daarom de voorkeur aan werken die het verleden imiteerden of met een vleug sentiment werkten, en zij begunstigden de kunstenaars die aan deze eisen wilden voldoen. Volgens Rodin was de nieuwe rijke middenklasse van Frankrijk de schuld van veel slechte kunst. `Ga maar naar verzamelaars,' zei hij, `ga hun rijke bourgeois salons binnen en kijk om je heen - je zult alleen dingen zien die bedroevend, dood, lelijk en oninteressant zijn.' Behalve de particuliere ver­zamelaars was er nog de staat, die in Frankrijk van de adel de rol van de be­langrijkste opdrachtgever had overgenomen. Deze wisseling was niet bepaald in het voordeel van de kunstenaars, gezien de hordes bureaucraten waartegen zij nu moesten vechten. De voorkeur van de staat op kunstgebied ging niet alleen uit naar zelfverheerlijking - zoals ook het geval geweest was bij de Bourbons - maar tevens naar het verheerlijken van burgerdeugden en gezonde morele voorschriften. In het Frankrijk van de negentiende eeuw werden deze officiële criteria in een steeds zwaarwichtiger en minder gracieuze stijl toegepast. De door de staat gebouwde operagebouwen, gevels, triomfbogen en gedenktekens waren getooid met figuren die onder hun eigen versieringen verstikten. Een goede combinatie van architectuur en beeldhouwkunst was zeldzaam. Louter ornament was de rage. Zoals Albert Elsen, de belangrijkste Amerikaanse ken­ner van Rodin, schrijft, verscheen Rodin op het toneel op het moment dat de beeldhouwkunst `het stiefkind van de kunsten was geworden, volledig terug­gebracht tot decoratie.'

Geld verdienen ?