schilder Toulouse-Lautrec
onsterfelijk werden. Bij Maxiin aanvaardden met juwelen behangen schonen, die
in de volksmond heel geestig als les grandes horLontcrles bekend
stonden, even gracieus de arm van een nouveau riche als van een Russische
groothertog. Ook op hoger niveau vonden het nieuwe en originele bijval. In de
intellectuele salons van de Faubourg Saint-Germain werd het rauwe realisme van
Emile Zola's romans evenzeer bewonderd, als Anabole Franjes beschaafde roman
over het klassieke Alexandrië, Thais. Het gouden tijdperk, la belle
cipoque, van Parijs zou weldra aanbreken, en om als het ware het begin er
van te markeren werd een merkwaardige jongeman een geziene gast in de elegante
salons: een zekere Marcel Proust, een wat verlopen en vroegwijze dandy van
nog geen twintig, die mettertijd de onovertroffen beschrijver van het
tijdperk zou worden. Ook Rodin frequenteerde de salons: zijn ongewone
artistieke opvattingen en zijn boeiende karakter bezorgden hem natuurlijk
invitaties. Maar hij was een uitzonderlijke persoonlijkheid, een man die
anderen niet alleen fascineerde, maar ook razend kon maken. Hij was weliswaar
aan de ene kant een genie, die de beeldhouwkunst nieuwe impulsen gaf, de
grootste kunstenaar sinds Michelangelo en Bernini, een virtuoos die tekeer
ging om klei tot leven te brengen. Maar aan de andere kant bezat hij de
aardsheid, koppigheid en gevoelloosheid van een boer.
Hij kon uitgesproken
lomp, ja zelfs grof zijn. Hoewel hij en Monet twee dagen na elkaar geboren
waren, met elkaar bevriend waren, samen exposeerden, en hij Monet dikwijls in
zijn zomerhuis in Civerny opzocht, barstte hij eens uit: `Ik geef geen steek
om Monet, ik geef helemaal geen steek om wie dan ook! Ik ben alleen in mezelf
geïnteresseerd.' Zowel zijn verguizers als zijn bewonderaars merkten de
tegenstrijdige trekken in Rodins karakter op, en men kan nauwelijks een
beschrijving van hem door een tijdgenoot vinden, die niet, of ze nu gunstig of
ongunstig is, een voorbehoud maakt: `Hij is een monster, maar hij is ook...'
`Hij is een opmerkelijk beeldhouwer, maar daarnaast...' Op sommige punten
waren alle waarnemers het eens. Hij was een uitzonderlijk vitaal man, die
voortdurend geabsorbeerd werd door het menselijk lichaam - speciaal dat van
vrouwen. Het was heel gewoon om in zijn atelier een uitgebreid gezelschap van
naakte mensen aan te treffen. In tegenstelling tot andere beeldhouwers die een
model op een voetstuk plaatsten en een bepaalde houding aan lieten nemen, gaf
Rodin er de voorkeur aan een groot aantal naakten vrijelijk te laten
rondlopen of liggen, terwijl hij snel de ene schets na de andere maakte, zodra
een vloeiende beweging van één van hen hem trof. Iemand die hem dikwijls
bezocht, schreef: `Hij proeft in stilte de schoonheid van het leven dat door
hen heenspeelt, hij bewondert de lenigheid van deze jonge vrouw hier, die zich
bukt om een beitel op te rapen, de fijne gratie van die daar, die haar armen
opheft om haar gouden haar boven haar hoofd samen te binden, en de nerveuze
kracht van een man die door de kamer loopt. En wanneer één van hen een
beweging maakt die hem bevalt, vraagt hij onmiddellijk die houding vast te
houden. Snel grijpt hij dan klei en een klein figuurtje begint te ontstaan.'
Rodin werkte dicht - zeer
dicht - op zijn vrouwelijke modellen. Op een dag zag een atelierassistent dat
hij zich over een model dat hem bijzonder had behaagd, heenboog, en haar
teder een zoen gaf - op haar buik. Volgens de assistent was dit `een vererend
huldeblijk aan de natuur voor de talloze gunsten die hij van haar had
ontvangen' (van de natuur wel te verstaan). Dit overvloedig aantal bewegende
naakte modellen had een duidelijk doel. Sinds de atletenwedstrijden in de
Griekse en Romeinse oudheid hadden de kunstenaars geen gelegenheid meer gehad
ontklede menselijke lichamen te bestuderen, die in voortdurende beweging
waren - en Rodin was vooral geïnteresseerd in het uitdrukken van beweging.
Toch waren er mensen die hem niet zagen als een beeldhouwer die opnieuw het
schouwspel van een lichaam in actie probeerde vast te leggen, maar als een
geile levensgenieter. Eén van hen was de dichter Paul Claudel, die
persoonlijke redenen had om Rodin niet te mogen. (De man had, zoals Claudel
niet ten onrechte beweerde, het leven van zijn zuster Camille te gronde
gericht). Claudel schreef dat Rodin `de grote, uitpuilende ogen van een
wellusteling' had. `Wanneer hij werkte, hield hij zijn neus bovenop het model
en op de klei. Zei ik zijn neus? Eerder de snuit van een beer met een paar
loerende ijsblauwe ogen.' Er bestond nooit enige twijfel over de erotiek in
het werk van Rodin. Soms was deze mild, en geheel volgens de algemeen
aanvaarde Franse traditie. De kus van Rodin met de elkaar omhelzende
naakte geliefden was niet vrijmoediger dan de vrijende paartjes, die door
achttiende-eeuwse rococo-schilders als Francois Boucher en Jean-Honoré
Fragonard waren afgebeeld, en het werd dan ook in 1888 door de Franse staat
aangekocht. De kus was echter liefelijk in vergelijking met enkele
andere van Rodins uitbeeldingen van amoureuze bezigheden - die tijdens zijn
leven niet door de staat werden aangekocht - zoals De di' vice
en Eeuwig voorjaar, waarin de liefdesdaad weldra schijnt te zullen
gebeuren, en De neclerdaling, waarin deze reeds plaats vindt.
Wellusteling, halfgod,
het boze oog, profeet, tovenaar in klei of brons - dit alles was of werd Rodin
in de ogen van de mensen. Ontegenzeggelijk een warmbloedig man, één en al
intensiteit. Iemand die deze intensiteit aan den lijve ondervond was Isadora
Dunken, een jonge Amerikaanse danseres die dweepte met nieuwe dansvormen, en
tot Robins atelier doordrong om de meester van de nieuwe kunstvormen te
begroeten. De ontmoeting had plaats in 1900, toen Rodin reeds zestig jaar was,
maar nog even energiek en onweerstaanbaar als ooit te voren. Isadora beschreef
de ontmoeting op haar eigen vrijmoedige manier: `Hij toonde zijn werk met de
eenvoud van de zeer groten. Soms mompelde hij de namen voor zijn beelden. Hij
liet zijn vingers over hen heen glijden en streelde ze. Tenslotte nam hij een
klein stukje klei en drukte het tussen zijn handpalmen. Hij ademde snel
terwijl hij het deed. De hitte straalde van hem af als van een brandende oven.
In enkele ogenblikken had hij een vrouwenborst gevormd, die ademde tussen zijn
vingers.'
Daarna namen ze een
taxi en gingen naar haar atelier, waar zij zich verkleedde in haar Griekse
tuniek en voor hem danste. Toen zij ophield `om hem mijn theorieën over een
nieuwe dansvorm uit te leggen, merkte ze dat hij helemaal niet luisterde.
`Hij staarde naar me met half toegeknepen, vlammende ogen, en toen, met
eenzelfde uitdrukking op zijn gezicht als hij bij zijn beelden had, kwam hij
op me af. Hij liet zijn handen over mijn hals en borst gaan, streelde mijn
armen, en ging met zijn handen over mijn heupen, mijn naakte benen en voeten.
Hij begon mijn hele lichaam te kneden alsof het klei was, terwijl er een hitte
van hem uitging die mij verzengde en deed smelten. Ik verlangde mij met mijn
gehele wezen aan hem te geven, en ik zou het zeker gedaan hebben als